|
   
- Boerderijtuinen -
Boerderijtuinen zijn
over het algemeen landelijk gelegen
particuliere tuinen, van redelijk groot oppervlak, verbonden met een
bijbehorende boerderij en daarom zijn er van oudsher typerende
kenmerken, zoals bijvoorbeeld: een
windsingel, vrolijke bontgekleurde
borders en vaak ook een
boomgaard met verschillende
fruitbomen.
Vroeger
Gebruik en inrichting van het boerenerf in het buitengebied zijn
beeldbepalende elementen.
Vroeger was het erf herkenbaar aan de hooiberg, boenhok, bakhuisje,
waterput, mestvaalt, moestuin, siertuin, boomgaard, paardenwei en rond
scharrellende kippen. Het ging vloeiend over in het omringende landschap
met weilanden, akkers, geriefhoutbosjes, houtwallen, meidoornhagen,
rietbosjes, paddenpoelen en andere kleine landschapselementen.
Een juiste streekeigen beplanting op het erf zorgt voor een herkenbaar
landschap.
Een oorspronkelijk boerenerf bevatte gebruikselementen, zoals een
boomgaard met meerdere soorten fruitbomen en een moestuin. Deze
elementen, belangrijk voor de voedselvoorziening, werden van oorsprong
in de voortuin gesitueerd. Dit deel van het erf was van de boerin.
Snijbloemen deden op een later moment hun intrede, eerst in de
groentetuin maar later werd de complete voortuin een
siertuin.
Een appelhof was van oorsprong
ook aan de voorkant van de woning te vinden.
In de hof zorgde een geit vaak voor onderbegrazing door het gras kort te
houden en rottend fruit in de boomgaard op te ruimen.
Achter de boerderij was de gebruikhoek
van de boer zelf. Hier groeiden bomen, heesters en kruidachtigen uit de
omgeving en het was ook de plaats voor de hond en de kippen.
Nutstuin
Het leven op een boerderij was zoveel mogelijk zelfvoorzienend en alles
was praktisch ingericht.
De sierwaarde nam vroeger duidelijk een tweede plaats in, maar was waar
mogelijk evengoed aanwezig.
Schoonheid, orde en netheid stonden voorop en de gesteldheid van de
familie was hieraan af te zien.
Van oorsprong was de boerentuin een
nutstuin. Er werden voornamelijk groenten verbouwd en wat
snijbloemen. Hoe groter de welvaart werd hoe meer siergewassen hun
intrede deden.
Wel was het altijd belangrijk dat de planten gemakkelijk groeiden en
weinig onderhoud vergden.
Erfbeplanting
Beplanting rond
de boerderij / het erf werd door de bewoners van het erf aangelegd
als bescherming tegen de wind, maar ook tegen blikseminslag. Ook diende
erfbeplanting als houtvoorziening.
In
de boerentuin vind je verschillende soorten planten. Zoals
stinzeplanten.
Dit zijn voorjaarsplanten die eenmaal in de tuin geplant, snel
verwilderen en gemakkelijk de winter over-leven, zoals
narcis, wilde hyacint, krokus,
sneeuwklokje, lelietje-van-dalen, vingerhoedskruid en kievietsbloem.
Stinze is een Fries
woord voor een versterkte stenen boerderij en een stenen huis waarin
adellijke heren woonden. In de tuinen bij die huizen stonden veel van
deze planten.
Behalve stinzeplanten heeft een boerentuin meestal ook een hoekje met
keukenkruiden, zoals lavendel, dille,
tijm, basilicum en venkel.
Deze planten ruiken allemaal lekker en trekken insecten en vlinders aan.
Boerderijtuinen NU
De definitie voor boerderijtuin is tijdens de 20e eeuw aangepast aan de
moderne tijden, die bepaald dat een
boerderijtuin in welke vorm dan ook, een ontworpen tuin
bij een boerderij is.
Een boerentuin is een min of meer gegroeide tuin zoals die onder beheer
van de boerin zelf tot ontwikkeling kwam.
   
Bezoekt u hier
boerderijtuinen
Ä
|